Don Quichote had misschien toch gelijk
Hij trekt ten strijde tegen een vijand die volgens velen niet bestaat: alleen, koppig en overtuigd van zijn gelijk, terwijl de wereld hem wegzet als wereldvreemd. Het beeld van Don Quichote is snel gemaakt. Maar wat als hij niet tegen windmolens vecht, maar tegen iets wat wij zelf nog niet scherp zien?
Die vraag wordt verrassend concreet wanneer je kijkt naar de pogingen van Stephen Thaler om een AI-systeem als uitvinder te laten erkennen. Overal kreeg hij nul op het rekest, wat het verleidelijk maakt om zijn strijd af te doen als een juridische curiositeit zonder echte relevantie. Toch raakt precies die ogenschijnlijk kansloze poging aan een ongemakkelijke vraag voor zowel juristen als technologische profielen: wat gebeurt er met intellectuele eigendom wanneer creatie niet langer vanzelfsprekend aan een mens kan worden toegeschreven?
GenAI triggert onze copyrightreflex – terecht?
Tijdens mijn recente gastcollege aan de studenten grafische vormgeving van Luca School of Arts kwam een terugkerende bezorgdheid naar boven: wat betekent generatieve AI voor hun toekomst als creatieve makers? Kunnen ze hun werk nog beschermen? Wordt hun stijl binnenkort gekopieerd door machines? En vooral: doet het recht nog wel zijn werk in dit nieuwe tijdperk?
Deze vragen zijn allesbehalve academisch. Ze raken aan de kern van een veel bredere maatschappelijke en juridische uitdaging. Generatieve AI – systemen die autonoom tekst, beeld, muziek of code produceren – is geen gewone innovatie. Het dwingt ons tot een fundamentele vraag: is deze technologie zó ingrijpend dat ons juridisch systeem niet langer volstaat? En als dat zo is, moeten we dan het auteursrecht verder uitbreiden om creatieve makers te beschermen? Of is het juist tijd om een andere weg in te slaan?