Don Quichote had misschien toch gelijk
Hij trekt ten strijde tegen een vijand die volgens velen niet bestaat: alleen, koppig en overtuigd van zijn gelijk, terwijl de wereld hem wegzet als wereldvreemd. Het beeld van Don Quichote is snel gemaakt. Maar wat als hij niet tegen windmolens vecht, maar tegen iets wat wij zelf nog niet scherp zien?
Die vraag wordt verrassend concreet wanneer je kijkt naar de pogingen van Stephen Thaler om een AI-systeem als uitvinder te laten erkennen. Overal kreeg hij nul op het rekest, wat het verleidelijk maakt om zijn strijd af te doen als een juridische curiositeit zonder echte relevantie. Toch raakt precies die ogenschijnlijk kansloze poging aan een ongemakkelijke vraag voor zowel juristen als technologische profielen: wat gebeurt er met intellectuele eigendom wanneer creatie niet langer vanzelfsprekend aan een mens kan worden toegeschreven?
Het gevecht is geen waanzin
Meer dan een absurd verhaal
De pogingen van Stephen Thaler om zijn AI-systeem DABUS als uitvinder te laten erkennen, worden vaak voorgesteld als een juridische curiositeit. Een excentriek experiment dat onvermijdelijk moest stranden. De vergelijking met Don Quichote ligt dan voor de hand: iemand die blijft vechten tegen iets wat eenvoudigweg niet kan bestaan.
Die lezing is echter te oppervlakkig. Ze gaat ervan uit dat het debat enkel draait rond de vraag of een machine creatief kan zijn, terwijl dat in de praktijk nauwelijks nog het echte discussiepunt is. Wie vandaag met generatieve AI werkt, merkt dat de output niet alleen technisch bruikbaar is, maar vaak ook als creatief of inventief wordt ervaren. Dat is geen filosofische stelling, maar een vaststelling uit de praktijk.
Het echte probleem situeert zich dus elders. Niet in de capaciteiten van de technologie, maar in de manier waarop het recht betekenis geeft aan die capaciteiten.
Een bewuste stresstest van het systeem
Wat Thaler doet, is het juridisch systeem confronteren met zijn eigen grenzen. Door expliciet géén menselijke uitvinder of auteur te vermelden, dwingt hij rechtbanken om zich uit te spreken over een vraag die doorgaans impliciet wordt opgelost: kan creatie juridisch bestaan zonder menselijke drager?
Dat is geen triviale provocatie. Het haalt een fundamentele bouwsteen weg uit het systeem en kijkt wat er overblijft. De consistente weigering van rechtbanken om die stap te zetten, is dan ook niet zozeer een oordeel over technologie, maar een bevestiging van hoe het recht vandaag is opgebouwd.
Het systeem reageert zoals het ontworpen is: door de menselijke actor centraal te houden. Niet omdat dat noodzakelijk aansluit bij de realiteit van de technologie, maar omdat het zonder die actor niet functioneert.
Waar het recht botst
Intellectuele eigendom als juridisch instrument
Intellectuele eigendom wordt vaak voorgesteld als een vorm van erkenning voor creativiteit. Dat narratief is begrijpelijk, maar verhult wat het recht in essentie doet. IE-rechten zijn geen beloning op zich, maar instrumenten die economische en maatschappelijke processen structureren. Ze maken het mogelijk om exclusiviteit toe te kennen, investeringen te beschermen en waarde te organiseren.
Om dat te kunnen doen, heeft het systeem een drager nodig. Iemand die rechten kan uitoefenen, die kan optreden tegen inbreuken, die contracten kan sluiten en aansprakelijkheid kan dragen. Die rol is historisch en structureel ingevuld door natuurlijke personen, eventueel via rechtspersonen die uiteindelijk terug te voeren zijn op menselijke actoren.
Het systeem is dus niet neutraal opgebouwd. Het veronderstelt een mens, niet als toevallig element, maar als noodzakelijke schakel.
De structurele mismatch met AI
Daar wringt het vandaag. AI-systemen produceren output die zonder moeite binnen de klassieke categorieën van intellectuele eigendom valt. Teksten, beelden, ontwerpen en zelfs technische oplossingen die voldoen aan de criteria van nieuwheid en inventiviteit.
Maar het recht kijkt niet alleen naar het resultaat. Het kijkt naar de herkomst en, vooral, naar de mogelijkheid om rechten en plichten toe te wijzen. Een AI-systeem kan geen titularis zijn van rechten, kan geen contract sluiten en kan niet aansprakelijk worden gesteld. Dat is geen tijdelijke lacune, maar een rechtstreeks gevolg van hoe het recht is gestructureerd.
De spanning ontstaat dus niet omdat AI onvoldoende zou presteren, maar omdat het systeem geen plaats heeft voor een actor die buiten de bestaande categorieën valt.
De kruistocht van Thaler
De radicale keuze om de mens weg te laten
In de praktijk zoeken bedrijven en juristen vandaag naar manieren om AI-output juridisch te verankeren door een menselijke rol te blijven identificeren. Dat kan via de gebruiker die prompts geeft, de ontwikkelaar die het systeem heeft gebouwd of de partij die de output selecteert en toepast. Op die manier blijft het bestaande kader overeind.
Thaler kiest bewust een andere aanpak. Hij verwijdert de mens volledig uit het verhaal en presenteert de AI als enige bron van de uitvinding. Daarmee maakt hij de vraag expliciet en onontwijkbaar.
Die strategie is confronterend, maar ook verhelderend. Ze toont niet alleen waar de grenzen liggen, maar ook waarom die grenzen bestaan.
Wat de rechtspraak effectief zegt
De uitspraken in de VS, het VK en de EU volgen een consistente lijn: een uitvinder of auteur moet een mens zijn. Wat daarbij opvalt, is dat rechtbanken zich zelden uitspreken over de intrinsieke capaciteiten van AI. Ze oordelen niet dat AI geen creatieve of inventieve output kan genereren.
De redenering is fundamenteler. Het recht vertrekt van het idee dat rechten en plichten gekoppeld zijn aan actoren die kunnen deelnemen aan het juridische verkeer. Binnen dat kader is er eenvoudigweg geen plaats voor een AI-systeem als zelfstandige drager van rechten.
De conclusie is dus niet dat AI het niet kan, maar dat het systeem het niet voorziet.
Wat vandaag eigenlijk vaststaat
Auteursrecht en menselijke creativiteit
In het auteursrecht blijft de eis van menselijke creativiteit centraal staan. Bescherming ontstaat enkel wanneer er sprake is van vrije en creatieve keuzes die aan een mens kunnen worden toegeschreven. Het is die band met de menselijke persoon die de rechtvaardiging vormt voor het toekennen van exclusieve rechten.
Dat betekent dat volledig autonome AI-output in principe buiten bescherming valt. In de praktijk wordt dat vaak opgevangen door te zoeken naar menselijke interventies in het proces, maar die benadering komt onder druk te staan naarmate systemen autonomer worden en menselijke input minder bepalend is voor het eindresultaat.
Octrooirecht en de uitvinder als persoon
Ook in het octrooirecht blijft de menselijke uitvinder een harde voorwaarde. Hoewel AI vandaag al een belangrijke rol speelt in onderzoek en ontwikkeling, wordt die bijdrage juridisch nog steeds vertaald naar een menselijke actor die als uitvinder wordt aangeduid.
Dat creëert een toenemende spanning tussen de feitelijke rol van technologie in innovatie en de manier waarop het recht die innovatie conceptualiseert. De vraag is niet langer of AI bijdraagt aan uitvindingen, maar hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd.
Conclusie: tegen windmolens, of tegen het systeem?
De vergelijking met Don Quichote blijft aantrekkelijk, omdat ze het debat eenvoudig maakt en herleidt tot een verhaal over iemand die ongelijk heeft. Maar precies daarin schuilt het risico, want wat hier speelt laat zich niet reduceren tot een excentrieke strijd die juridisch nergens toe leidt.
Wat vandaag zichtbaar wordt, is geen randfenomeen, maar een structurele frictie tussen technologie en recht. Niet omdat het recht faalt, maar omdat het gebouwd is op aannames die lange tijd vanzelfsprekend waren en nu steeds moeilijker overeind blijven. In die zin gaat het debat niet over de vraag of Thaler gelijk heeft in zijn concrete claims, maar over wat zijn aanpak blootlegt: een systeem dat onder druk komt te staan zodra creatie niet langer eenduidig menselijk is.
Misschien is dat de echte les van Don Quichote. Niet dat hij gelijk had, maar dat hij iets zichtbaar maakte wat anderen te snel wegzetten als irreëel. En dat is precies waar het vandaag om draait.
Werk je met AI en stel je je vragen bij hoe je output juridisch moet worden gekwalificeerd of beschermd, dan is het geen luxe om daar vandaag al bewust over na te denken. Stuur gerust een mail naar hallo@consey.legal om samen te bekijken hoe jouw aanpak juridisch robuust kan worden opgebouwd in een context die duidelijk in beweging is.
Geschreven door Kris Seyen, Founder & Managing Partner consey.legal